TUSSEN AGRARISCHE EN INDUSTRIELE STRUCTUREN

De ruimere omgeving van de site wordt gekarakteriseerd door een lang, weinig dens lint van gebouwen waarachter zich een polderlandschap ontplooit. Hierin zijn eenduidige belijningen en structuren aanwezig die volgen uit de logica van de landbouw. De site zelf tekent zich af door een hogere bebouwingsdichtheid en een bijna industriële logica in de ordening van loodsen en lesgebouwen. Dit samenhangend geheel wordt aan het straatbeeld onttrokken door een als een tuinpark aanvoelende zone dat het statige onthaalgebouw aankondigt. Deze intrigerende situatie laat al snel dromen over hoe zo’n plek in de toekomst verder kan ontwikkelen.

De bebouwing is volgens de noden en doorheen de jaren op eerder spontane wijze ontstaan en verspreid over de site. Dit resulteert in een grotere densiteit van aanééngeschakelde gebouwen rond het hoofdgebouw en langs de perceelsgrenzen, en een middendeel met kleinschalige volumes en grote open ruimtes. De structuur van de site komt momenteel niet voort uit de bebouwing maar veel eerder uit een duidelijk georganiseerde circulatie, die voortvloeit uit de lineaire polderstructuur van het akkerlandschap. Er ontstaan hoofdassen over de lengte van de site die worden verbonden door verkeersluwere dwarse verbindingen. Deze kwaliteit zouden we willen versterken door de gemotoriseerde voertuigen duidelijk te scheiden van de voetgangers, wat de veiligheid en de leesbaarheid van de site ten goede komt. Het dambordpatroon vertaalt zich ook in de omgevingsaanleg. De schoolgebouwen omsluiten verharde speelplaatsen, terwijl het binnengebied bestaat uit open groene zones die in elkaar voortvloeien en uitdeinen in de achtergelegen akkers. Het potentieel van de meanderende groene zones wordt op dit moment niet optimaal benut door de onduidelijke relatie tussen het bebouwde en onbebouwde.

 

De nieuw in te planten machineloods zien we als een kans om deze relatie te versterken en zo het middendeel van de site op te laden en te herorganiseren. Het gebouw moet duidelijkheid scheppen, zonder de interessante zichtrelaties op de omgeving te verliezen, integendeel, het gaat nieuwe relaties aan met zijn buren en definieert nieuwe kwalitatieve plekken. Enerzijds vormt het gebouw een rug voor het groene plein, zichtbaar vanaf de speelplaats, met een transparante gevel die de activiteiten van het gebouw weergeven. Een grote luifel en verschillende schuifpoorten creëren een uitnodigend karakter en maken het mogelijk om de activiteiten binnen en buiten te laten doorgaan. Hierdoor ontstaat een interessante wisselwerking tussen de gebruikers van het gebouw en het groene plein dat het hart van de site wordt. We kiezen er bewust voor om gemotoriseerde voertuigen aan deze kant van het gebouw te weren zodat het gebouw deel uitmaakt van het groene plein. Aan de andere zijde van het gebouw zien we een interessant dialoog ontstaan met het mooie serregebouw. We pleiten ervoor om de weinig waardevolle fietsenstalling te herlokaliseren op de site zodat een ruim en afgebakend erf ontstaat tussen de twee representatieve gebouwen. Hierdoor ontstaat voldoende plaats om met landbouwvoertuigen te manoeuvreren en wordt de impact van het verkeer op de rest van de site beperkt. Dit komt zowel het gebruik als de veiligheid van de leerlingen ten goede. De kopse zijde van het gebouw zorgt voor de afbakening van een nieuw “stedelijk plein” samen met de lesgebouwen. Het gebouw krijgt op die manier per geveldeel een eigen identiteit en draagt bij tot het structureren van de site. De relaties tussen wat bebouwd en onbebouwd is worden op die manier duidelijker gedefinieerd.

 

De esthetiek van utilitaire pragmatiek...

De dambordstructuur van het agrarisch landschap vertaalt zich verder door in het gebouw. De hoofdstructuur bestaat uit een aantal solide betonnen kernen waardoor het gebouw als percelen vrij in te delen is. De kernen bevatten verticale circulatie, sanitair en technische bergingen en zorgen voor de vaste voorzieningen van het gebouw. Ze dragen de uitkragende (betonnen) dakplaat en vormen een permanent casco die een grote flexibiliteit in de toekomst toelaat. Hun massiviteit geeft een sterk karakter aan het gebouw en staat in contrast met de lichte invulling van de gevels en binnenruimtes, opgebouwd uit industriële materialen die naar de aanwezige serres en agrarische constructies refereren. Door hun industrieel karakter ontstaan genereuze ruimtes die gemakkelijk aanpasbaar en uitbreidbaar zijn in functie van de wijzigende noden. De grootte van het programma vraagt om een stapeling. In overleg met de gebruikers wordt gestreefd om de geïsoleerde delen op het verdiep te voorzien en tot het noodzakelijke te beperken; klaslokalen, kantoren en kleedkamers, zodat voor de rest grote polyvalente werkruimtes ontstaan met een gemodereerd tussenklimaat. Deze ruimtes dienen eveneens als buffer voor de volledig verwarmde ruimtes zodat de technieken en energiebehoeften beperkt kunnen blijven. In de zomer kunnen de grote schuifpoorten van de werkruimtes opengezet worden, zodat een verfrissende luchtdoorstroming ontstaat. De landbouwvoertuigen worden onder de luifel geplaatst op de kop van het gebouw en langs het nieuwe erf. Ze maken deel uit van het dagelijks gebruik en worden zichtbaar opgesteld. De gevelmaterialiteit en flexibele indeling laat indien gewenst toe om ook een afgesloten deel te voorzien. Het ruim overkragende dak versterkt het flexibele karakter en geeft aan het gebouw een krachtige en herkenbare uitstraling. Het vrije plan laat toe om zorgeloos met landbouwvoertuigen te kunnen manoeuvreren en indien gewenst de interne functies uit te breiden. Hierdoor ontstaat een architectuur die de utilitaire pragmatiek verzoent met een hedendaagse en tijdloze uitstraling.